Blök oetvare oet de berg van Suub

door Jac Diederen

Wanneer de blokkar met drie of vier maatblokken vol beladen was, werd deze moeizaam door het voorgespannen paard uit de lade getrokken. Niet alleen de vracht was zwaar, maar ook de karren waren door hun forse formaat vaak moeizaam te hanteren in de bochtige gangen. De karren hadden (volgens een globale reconstructie) een lengte van ca vijf meter, waarvan het laadplateau drie meter bedroeg met een breedte van ca een meter. De grote wielen hadden een diameter van 1,50 of 1,60 m met een wielbasis van ca 1,70 m, de afstand tussen de uiteinden van de assen lag bij ca 2,40 m. Het waren geen speciale karren voor mergelblokken op te vervoeren, maar de gewone Limburgse  houten karren voor in het boerenbedrijf waar, als er mergelblokken vervoerd moesten worden, de zijschotten en de plankenvloer vanaf gehaald werd.

reconstructie van een blokkar

Aan weerszijden werden op de dwarsbalken van het laadplateau een paar lange balken of planken in de lengterichting gelegd zodat de grote blokken van 54 bij 54 bij 84 cm  door de smalle glijvlakken makkelijker de kar op konden schuiven. Eenmaal opgeladen werden de blokken stevig gefixeerd door in de lengterichting onder de kar door en over de blokken heen een ketting te bevestigen, die van boven met een flinke knuppel, ‘t ‘vrijgelshout’ werd aangedraaid en op spanning gebracht.

Met vier van die maatblokken van ca ieder 400 kg, totaal gewicht 1600 kg, werd het rammelende en kreunende gevaarte, getrokken door het paard en voorgegaan door de voerman, van diep uit de groeve via de meer dan ‘n kilometer lange hobbelige en duistere ondergrondse transportwegen of de grote ‘bergvaarten’ naar buiten toe geleid.

de blokkarren staan te wachten om de berg in te gaan

Funs Molin uit Sibbe heeft dat in zijn jonge jaren nog veelvuldig gedaan. Met de stallantaarn voorop werd hij letterlijk op de voet gevolgd door het paard met de zware last. Wanneer de voerman iets te kort aan de kant liep ging het paard daarin mee en schuurde de karre as met de uitstekende uiteinden in de wanden van de gangen. Daardoor zijn de hoofdtransportwegen in de groeve door de lange uitgeslepen sleuven in de pilaren goed herkenbaar.

Funs Molin gebruikte niet zo’n erg zware kar. De twee of drie blokken werden ieder keer een stuk voor de uitgang weer afgeladen en in een brede zijgang zolang gezamelijk in depot gezet. Dat afladen deed Funs alleen “Ich woar vreuger sjterk!”. Pas als er vooraan genoeg blokken verzameld waren, werd een extra tweede paard voor de kar gespannen om de blokken over de laatste vrij steile tientallen meters van de ingangsvaart naar buiten te transporteren.

hoofd transportweg of ‘bergvaart’ in de Sibbergroeve

De blokbrekers en de vervoerders spreken niet van blokken transporteren of uitrijden, maar van ‘uitvaren’, ook eerder in de geschiedenis. In de oudere gedeelten van de Sibbergroeve vinden we nog veel aantekeningen uit de 18e eeuw over blocken uitvaeren of uitgevaert naar bijvoorbeeld Margraten of naer Maestricht.

Het transport van mergel met paard en wagen vanuit de groeve naar de bouwplaatsen was lang de enige vervoers mogelijkheid. Later, met de opkomst van gemotoriseerd landbouwverkeer, werden de blokken steeds vaker per tractor met aanhanger uit de groeve vervoerd. Wanneer er blokken met de tractor uitgevaren waren hing een zware lucht van uitlaadgassen een dag lang door de hele berg heen. Vandaag de dag worden ook deze tractoren niet meer gebruikt maar hebben de vervoerders – en dat zijn tegenwoordig de blokbrekers zelf – de beschikking over electrische tractors of zelfs een vliegtuigtrekker.