De strafpijpen van de Sibbergroeve

door Jac Diederen

De blokbrekers in de Sibbergroeve hebben niet altijd ongestoord mergel uit de berg kunnen winnen. De ondergrondse mergelwinning heeft regelmatig plaatselijk problemen ondervonden door oorzaken van geologische aard, want mergel wingebieden zijn regelmatig onderbroken door verticale breukvlakken of z n storingen welke ooit gevormd zijn door bewegingen van de aardkorst.

Zo’n storing bestaat meestal niet uit één, maar uit meerdere breuken achter elkaar. Bij het voortzetten van de ontginning moest de blokbreker door zo een breukengebied heen proberen te werken. Als de verschuiving maar een paar meter bedroeg, dan lukte het soms om door middel van smalle verkenningsgangetjes, de z n proefgangetjes of proefpijpen, die een lengte van 20 á 30 meter konden bereiken, door een storingszône heen te werken en nieuwe mergel wingebieden te vinden. Er is geen bruikbaar stukje mergel uit zo een verkenningstunnel te voorschijn gekomen, want de kwaliteit van de stenen in een storingsgebied is overwegend vrij slecht. Het gesteente is dooraderd met barsten en splijtvlakken. Het is immers ook een complex van breuken welke soms door koolzuurhoudend water uitgeloogd en later met aarde opgevuld zijn, terwijl het gesteente in de buurt van de breuken brokkelig is of met kristallijne kalk geïnfiltreerd kan zijn en dan zeer sterk verhard is.

verkenningsgang of strafpijp in de Sibbergroeve

Door deze ongunstige omstandigheden hadden de werklui al de tijd dat zij in de proefgang werkten, weinig of geen verdiensten en dat was de oorzaak dat de blokbrekers alleen bij uiterste noodzaak een gedeelte van hun werktijd beschikbaar stelden om te werken in de proefpijp. Immers, waar eerder het werk vanwege het bereiken van de ontginningsgrens gestaakt was, stonden zij voor de hopeloze opgave dwars op de breukzône een nieuw werk aan te zetten en zo lang door te gaan totdat ze weer bruikbare steen vonden. Wat hun te wachten stond konden zij vooraf niet voorspellen. Ze wisten uit ervaring dat hun de komende tijd alleen maar bitterheid en ellende tegenmoet zou komen: het ongemak van brokkelig gesteente, splijtvlakken, vuursteen en heerd. Werd na tientallen meters toch niets bereikt, dan werden de werkzaamheden op die plaats gestaakt en ergens, zo’n vijftig meter verderop, weer opnieuw geprobeerd door de storing heen te dringen, zonder dezekerheid wat de toekomst hen hier zou brengen. Teneinde tijd en arbeid te sparen werden de proefgangen zo smal mogelijk gehouden, ongeveer anderhalve meter hoog en nauwelijks een meter breed. Net groot genoeg voor de blokbreker om er zich in te kunnen bewegen. Een aantal proefpijpen zijn later, nadat men er bruikbare steen gevonden heeft, verbreed om transport van mergelblokken per voertuig mogelijk te maken. Meerdere keren heeft zich achter zo’n nieuwe doorgang, door de ontginning van de mergelsteen weer een heel stelsel ontwikkeld van tientallen hectaren oppervlakte.

de proefgang werd verbreed om transport van blokken mogelijk te maken

In de Sibbergroeve is op tientallen plaatsen te zien waar de blokbrekers door een storingsgebied heen hebben gewerkt om de voorziening van mergel ook voor de toekomst zeker te stellen. Soms gebeurde het werken in zo’n gebied vrijwillig, vaak echter werden de werklui van overheidswege verplicht gesteld om in de proefpijpente werken en hiervoor werden dan meestal die personen gekozen die om een of andere reden, niet erg populair waren bij de lokale overheden. Moesten deze mensen onder dwang in de proefpijpen gaan werken dan spraken de mensen van Sibbe van “werken in de strafpijp”.

In de tweede helft van de 19e eeuw moest Hubertus Delnoy het blokbrekers werk in de buurt van het ‘Beckers-bergske’ opgeven en werd te werk gesteld in wat later het ‘kelderke’ zou heten. Hij moest een proefgang maken door een noordelijk van de Sibbergroeve gelegen storing. Delnoy die via een schuin naar beneden hellende gang uiteindelijk terecht kwam in gave mergelsteen, verkocht deze te goeder trouw als Sibbersteen. Later bleek dat de mergel die uit het kelderke kwam, niet de goede steen was die een afnemer verlangd had, maar door het verval van de breuk kwam hij terecht in de kalksteen van Nekum en niet de de kalksteen van Emael waartoe de Sibberlaag behoort. In eerste instantie werd Delnoy als leverancier aansprakelijk gesteld, maar via gerechtelijke weg zou de verantwoordelijkheid toegewezen zijnaan andere instantie’s en werd Hubertus Delnoy van schuld gevrijwaard.

Ze liggen er verder stil en verlaten bij, de strafpijpen van de Sibbergroeve: de wanden bedekt met het grauwe patina van de vergangenheid, met hier en daar een vaag opschrift dat herinnerd hoe een gekweld mens daar geploeterd heeft. “Wat een moorderij” schrijft Hubertus Delnoy in het Kelderke. En eventjes verder: “Ja broeder, het is jammer dat dit hier zo veel zweet gekost heeft, want dat heb ik nog nooit beleefd zo lang ik in de groef werk zo een werk”.