De boekhoudingen van de mergeltransporteur

door Jac Diederen

Overal in de Sibbergroeve zien we de aantekeningen en boekhoudingen van de vervoerders over de aantallen mergelblokken die ze vanuit de groeve naar buiten getransporteerd hebben. De wijze van noteren is in de loop de eeuwen veranderd. Eerder in de geschiedenis zoals in de 18e eeuw werd aan de bovenkant van een boekhouding de bestemming weergegeven waar de grote mergelblokken naar toe gingen. Nog vroeger, in de Valkenburger groeve vinden we meerdere ingekraste notities in de vorm van verticale streepjes uit de 15e en 16e eeuw met bijvoorbeeld naar Merkelbeek of Genhout.

In het oude gedeelte van de Sibbergroeve, de ‘Ouwe Berg’ zien we vooral in de 18e eeuw veel aantekeningen in houtskool en met verticale streepjes en y vormen met transporten naar onder andere naar Oost of naar Cartils. en ‘blocken uitgevaert naar’ de div. bestemmingen. Later in de 18e eeuw wordt ook de naam van de vervoerder erbij geschreven en wordt daarbij steeds meer een stukje zwarte kolenleisteen ‘de lietsj’ gebruikt. De mergelblokken werden doorgaans in groot formaat getransporteerd om ze voor beschadiging te behoeden en pas op de bouwplaats tot de kleinere bouwstenen gezaagd. In een enkel geval schrijft iemand: “Nijcoclaes van Wers VII H*B moursten kaeren 1764 sijn uitge...” (vaeren?). Ergens op een paar pilaren in de buurt van de Kruisvaart staan zelfs nog een paar rekeningen aangegeven voor blokken leverantie’s of transport van mogelijk naar kasteel Amstenrade.

rekening van ‘de weduwe’ voor transport van mergelblokken 

Tot begin 19e eeuw is er een streepjes notering gebruikt, maar we zien al snel boekhoudingen in getallen verschijnen. Aan de linkerkant van een lange verticale streep staan onder elkaar het aantal ‘maatblokken’ -zo’n stuk of drie á vier per karrevracht- genoteerd (een maatblok heeft een afmeting van 54 bij 54 bij 84 cm). En rechts van de streep ook weer onder elkaar, gedeelten van blokken. In eerste instantie waren voor ons de getallen achter de lijn onduidelijk, ze gingen nooit verder dan 3, maar uiteindelijk bleek dat het hier ging om een kwart of ¼ maatblok. Vaak waren de blokken iets groter of kleiner dan de standaardmaat, want er zaten hier en daar dunne horizontale schelpenlaagjes in de mergelblokken waardoor deze bij de ontginning op een andere plaats braken dan gewenst en dan werd dat verschil van overmaat of gedeeltelijke blokken in kwart delen achter de streep genoteerd. Voor de vervoerder gold dus vier ¼ stukken als één heel blok.

De karrevrachten van een grote partij mergelblokken werden onder elkaar opgeschreven en bij elkaar opgeteld en werd de uitkomst beneden onder de horizontale streep weergegeven. Dit gebeurde als de leverantie helemaal compleet was en alles ‘uitgevaren’ kon worden. De kwarten werden ook bij elkaar opgeteld en waren alles bij elkaar ook weer goed voor enkele blokken, die dan weer voor de streep erbij gezet werden. Als er dan toch nog een paar kwarten overbleven dan werden die naast de uiteindelijke uitkomst genoteerd. De aantekeningen dienden om de transportkosten te berekenen en die waren vaak even hoog als de prijs van de mergelblokken zelf.

boekhouding voor transport van mergelblokken 

Op bijgaande afbeelding lijkt een rekenfout te zijn gemaakt want 4+3+4+4 zijn immers 15 blokken, maar achter de streep staan de kwart blokken genoteerd: 2+3+1=6 dat is dus 1 heel blok extra en het totaal wordt dus 16 stuks met aan de linkerkant nog een restant van 2 kwart mergelblok. Het is dus eigenlijk gewoon rekenen als met cijfers achter de komma.

De grote ruwe mergelblokken, de ‘stoelen’, zo als ze uit de berg gebroken zijn, werden altijd 28 duim diep inwaarts uitgezaagd met een standaard breedte van 18 duim. De hoogte van de stoel was afhankelijk van de ontginbare laagdikte, die in de Sibbergroeve gemiddeld twee meter is. Als zo’n stoel na het losbreken omviel, dan werd deze lange rechthoekige zuil weer onderverdeeld  in stukken van 18 duim tot de standaard ‘maatblokken’. De ideale maatblokken hadden een afmeting van 18 bij 18 bij 28 duim (1 duim is in de Sibbergroeve 3 cm). Maar deze maat kon wel eens verschillen door, zoals eerder aangehaald, zwakke plekken in het grote mergelblok en ’n maatblok daardoor ook wel eens een afmeting van bijvoorbeeld 18 bij 21 bij 28 duim kon krijgen, en dat was dan 3 duim teveel. Op de afbeelding, nu van een totaal afrekening, zien we de optelsom in duimen. Achter de streep: 9+5+16=30 duim, waarvan 18 duim dus een blok is. Voor de streep krijgen we dan 11+11+10+1 en dat zijn dus 33 blokken en een restant van 12 duim. En voor die hoeveelheid werd de vervoerder door de opdrachtgever of de afnemer betaald.

boekhouding in duimem


Advertenties