De verloren groeves van Sibbe

Inleiding

Verscholen onder een dichte begroeiing van klimop, bosrank, braam, hazelaar en robinia, in de hellingbossen (steil- en bosranden) ten noorden van het dorpje Sibbe, bevinden zich eeuwenoude bovengrondse bouwsteenontginningen. Kenmerkend voor dit type ontginning is, dat ze zijn aangelegd in de kalksteenlaag direct onder het aanwezige löss-, leem en grindpakket. De ontginningen zijn door de tand des tijd zodanig verweerd, dat nauwelijks tot geen sporen meer te vinden zijn van enige menselijke activiteit. Ze lijken op natuurlijke rotswandjes die, door erosie van bovenliggende lagen aan het oppervlak te voorschijn zijn gekomen. Echter niets is minder waar.

Ontstaan en kenmerken

Sinds onheuglijke tijden wordt kalksteen in Zuid-Limburg aangewend voor de bouw van kloosters, kerken, kastelen en boerderijen. Niet iedere kalksteen is geschikt voor gebruik als bouwsteen. Eigenschappen als vriesvastheid, draagvermogen en gemak in bewerking zijn belangrijke randvoorwaarden voor een succesvolle aanwending. Uniek is het feit dat in het gebied van de onderzochte steil – en bosranden, kalksteen met deze eigenschappen zich vlak onder het maaiveld bevindt fig.1. Dezelfde kalksteen is in de Sibbergroeve (ca. 700 meter zuidelijker gelegen) terug te vinden op een diepte van ca. 15 à 30 meter onder het maaiveld. Het is hierdoor niet verwonderlijk dat in deze steil – en bosranden, waar het Plateau van Margraten eindigt en het Geuldal begint, de eerste aanzetten zijn verricht voor het ontginnen van bouwtechnisch goede kalksteen.

Afb. 1 Van links naar rechts en boven naar onder. Kalksteenwand met colluvium. Kalksteen met door weersinvloeden ontstane patinalaag. Een bovengrondse bouwsteenontginning met de typische half ovale vorm. Kalksteenpilaren te Sibbe.

Na verwijdering van de dunne toplaag van löss, leem, zand en kiezel is de kalksteen tot een diepte van maximaal 5 à 10 meter gedolven. Het eindresultaat van een bovengrondse bouwsteenontginning is een vlakke, half ovale ruimte met een kalksteenwand als eindpunt, die als een trap in de steil- of bosrand ligt. Het proces kan plaatselijk evenwijdig aan de helling of op meerdere hoogtes zijn herhaald, zodat een complex van naast elkaar of boven elkaar gelegen, vlakke, half ovale ruimten ontstaan, die soms wel en soms niet in elkaar overlopen. Deze door bomen en struikgewas schaars begroeide ruimten hebben een gemiddelde grootte van ca. 260 m2. Door de lokale bevolking worden ze aangeduid als een platz.

Als gevolg van eeuwenlange landbouwactiviteiten, (midden)bosbeheer en de daaropvolgende erosie zijn vooral aan de voet van de kalksteenwanden colluviale afzettingen ontstaan die deze geheel of deels afdekken. De wanden zijn hierdoor aan het zicht onttrokken of steken met een maximale hoogte van 3 meter, boven het maaiveld uit. Op sommige plekken zijn door factoren als weersinvloeden en omvergewaaide bomen, delen van wanden afgebroken en voorover gevallen. Begroeid met mossen en varens, geven ze een ontginning een charme die vergelijkbaar is met een omgeving die gewoonlijk alleen aan te treffen is bij eeuwenoude verlaten ruïnes afb. 2.

Afb. 2 De charmes van bovengrondse bouwsteenontginningen met hun kalksteenwanden.

Meerdere onderzochte kalksteenwanden van bovengrondse bouwsteenontginningen bevatten ondanks de sterke verwering, nog duidelijk sporen van het gehanteerde gereedschap. De sporen zijn boogvormig, waardoor een schietbeitel (stoatbeitel, bergbeitel) die ca. midden 16e eeuw voor kalksteendelving in gebruik is genomen, moet worden uitgesloten. Alleen een dissel met een scherpe snede kan de aangetroffen sporen, hebben veroorzaakt. De sporen hebben een maximale breedte van ca. 3,5 cm. Zaagsporen worden op de wanden niet aangetroffen.

Bij nader onderzoek van een kalksteenwand zijn restanten van sleuven (voaren) met een lengte van ca. 55 cm, hoogte van ca. 20 à 30 cm en een breedte van ca. 3,5 cm aangetroffen afb. 3. De aanwezigheid van een sleuf duidt op bouwsteenontginning. De beperkte lengte en hoogte van de sleuven wijzen op de winning van kleine bouwstenen, waarschijnlijk ter grootte van de metselstenen die tegenwoordig nog bij restauratie en nieuwbouw van mergelmuurdelen worden gebruikt. Opmerkelijk is dat de kleine bouwstenen tot vlak langs de aanwezige breuken zijn uitgehouwen.

Afb. 3 Van links naar rechts en boven naar onder. Boogvormige disselsporen. Winkelhaak op een boogvormig spoor. Sleuven in de vloer van een ontginning.

Zonder vergelijking met andere ontginningen uit de omgeving is de exacte ouderdom van een bovengrondse bouwsteenontginning moeilijk te bepalen. In de nabijgelegen ondergrondse Vallenberggroeve en de kalksteenwanden die hier plaatselijk dagzomen, worden soortgelijke boogvormige ontginningssporen aangetroffen afb. 4. Deze sporen worden in de hoge middeleeuwen gedateerd. De bovengrondse bouwsteenontginningen herbergen ook karakteristieke soorten aan planten, die in de omliggende steil- en bosranden niet of minder vaak voorkomen. Deze plantengemeenschappen hebben waarschijnlijk eeuwenlang de tijd gehad om zich te vestigen en duiden op een grote ouderdom van de ontginningen afb.6, afb. 7.

Afb. 4 Disselsporen nabij de Vallenberggroeve.

Geologie en ligging

De onderzochte bovengrondse bouwsteenontginningen bevinden zich ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De top van het kalksteenpakket wordt in dit gebied gevormd door de kalksteen van Nekum of Emael, die beide behoren tot de formatie van Maastricht afb. 5. Het pakket daalt richting noordwesten onder een kleine hoek. Op het bovenste deel van de steil- en bosranden dekken verweerde en ontkalkte afzettingen het kalksteenpakket af. Deze afzettingen bestaan uit verweerde en ontkalkte löss en verweringsleem van kalksteen vermengd met zand en grind. In de lagere regionen van de steilranden zijn kalkhoudende afzettingen aanwezig, die aan de basis weer overgaan in niet tot deels kalkhoudend. Bij een bovengrondse bouwsteenontginning is de verwijderde toplaag terug te vinden in de direct eronder gelegen steil- of bosrand. In deze toplaag kunnen afhankelijk van de locatie matig tot veel kalk(puin)deeltjes aanwezig zijn.

Dagzomende kalksteenwanden van de ontginningen bevatten meerdere kleine breuken die (min of meer) haaks op de helling staan. Geen van deze kleine breuken vertonen enige vorm van afschuiving. Plaatselijk worden in de wanden vuursteenconcreties aangetroffen. Zij duiden hier op de overgang tussen de kalksteen van Schiepersberg naar de kalksteen van Emael.

Door afwezigheid van ondoorlatende lagen en hun ligging hoog op de steil- en bosranden zijn bij de ontginningen geen schijngrondwaterspiegels te verwachten.

De expositie van de ontginningen is afhankelijk van de steil- en bosranden waarin zij zijn gesitueerd afb. 8. Doordat het gebied sterk doorsneden wordt door grubben en droogdalen is een hele schare aan exposities waar te nemen, variërend van Noord: expositie tussen NW-NO, Oost: expositie tussen NO-ZO, Zuid: expositie tussen ZO-ZW en West: expositie tussen ZW-NW.

De hellingshoek van de steil- en bosranden varieert sterk. Ontginningen zijn zowel in de steile als in minder steile randen aangetroffen. Door de aanwezigheid van droogdalen en grubben hebben steil- en bosranden met een oostelijke en westelijke expositie in het algemeen een grotere hellingshoek dan de hellingen met een zuidelijke en noordelijke expositie. Voor transport mogen de steil- en bosranden niet te steil zijn. Waarschijnlijk is gebruik gemaakt van de aanwezige droogdalen en grubben, die de mogelijkheid hebben gecreëerd voor aanleg van minder steile afvoer routes richting het Geuldal of het plateau.

Afb. 5 Van links naar rechts en boven naar onder. Fossielgruis in het plafond van de Sibbergroeve (kalksteen van Emael) Grind gelegen direct boven de ontginningen. Verwering van kalksteen. Kalksteen van Emael met ijzeroxides.

Ecologie

Van oudsher zijn ontginningen met hun kalksteenwanden in deze omgeving vermaard voor hun havikskruiden (Hieracium) en wilde akeleien (Aquilegia vulgaris). Vooral de in het oog springende wilde akelei was vroeger (voor 1940) onder de oudere bewoners van Sibbe bekend als een in de steil- en bosranden veel voorkomende soort. Helaas zijn bij de schrijver maar enkele van deze planten in het onderzoeksgebied aangetroffen.

In matig tot sterk beboste, vooral noordelijk en oostelijk geëxponeerde ontginningen worden kalkrijke subassociaties waargenomen van Eiken-haagbeukenbossen (H9160B) met eenbes (Paris quadrifolia), heelkruid (Sanicula europaea), mannetjesorchis (Orchis mascula) en grote keverorchis (Neottia ovata) afb. 7. De purperorchis (Orchis purpurea) wordt alleen waargenomen in matig beboste, voornamelijk zuidelijk geëxponeerde ontginningen met een sterk geroerde, matig vochtige bodem die rijk is aan kalk(puin)deeltjes afb.6. Bij afwezigheid van kalk(puin)deeltjes zijn geen waarnemingen voor deze soort. De deeltjes fungeren wellicht ook als kleine sponsjes, die vocht vasthouden. Bij één bovengrondse bouwsteenontginning is kleine maagdenpalm (Vinca minor) aangetroffen. Aan de boven- en zijkant van de kalksteenwand vormt deze soort in de lente een tapijt van bloemen.

Sterk beboste ontginningen vormen een ideale groeiplaats voor de Tongvaren-associatie (21Ab2). De varens worden waargenomen voor zowel noordelijk, oostelijk en westelijk geëxponeerde ontginningen. Kenmerkend zijn hier de tongvaren (Asplenium scolopendrium), mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas), wijfjesvaren (Athyrium filix-femina) en rechte driehoeksvaren (Gymnocarpium robertianum). De tongvaren heeft meestal de kalksteenwand als groeiplaats, waarbij de andere varens aan de voet van de kalksteenwand in de colluviale afzettingen worden waargenomen. In de ontstane platte, half ovale ruimte van de ontginning worden de varens bijna altijd vergezeld door lelietje-van-dalen (Convallaria majalis).

Afb. 6 Van links naar rechts en boven naar onder. Bloem van purperorchis (Orchis purpurea). Eveneens purperorchis (Orchis purpurea). Slanke sleutelbloem (Primula elatior). Kleine maagdenpalm (Vinca minor)

Afb. 7 Van links naar rechts en boven naar onder. Bloem van mannetjesorchis (Orchis mascula). Alpenwatersalamander. (Ichthyosaura alpestris). Eenbes (Paris quadrifolia). Holtes van waarschijnlijk kalk- en warmteminnende bijen.

In kalksteenwanden worden plaatselijk kleine gaatjes waargenomen. Waarschijnlijk zijn deze afkomstig van kalk- en warmteminnende bijen afb.7. Sterk tot matig beboste ontginningen met dagzomende kalksteenwanden zijn een waar eldorado voor amfibieën. Alpenwatersalamanders (Ichthyosaura alpestris) zijn op deze plekken meermaals waargenomen afb.7. Door het vochtabsorberend en warmtevasthoudend vermogen van de kalksteen vormen deze grillige wanden potentieel ook een ideale leefomgeving voor de meer zeldzamere geelbuikvuurpad (Bombina variegata; H1193) en vroedmeesterpad (Alytes obstetricans).

Conclusies

In de steil- en bosranden ten noorden van het dorpje Sibbe hebben sinds eeuwen grootschalige mijnbouwactiviteiten plaatsgevonden.

De kalksteen van Emael en de kalksteen van Nekum bevinden zich in de steil- en bosranden, vlak onder het maaiveld.

De bovengrondse bouwsteenontginningen zijn in het landschap van de steil- en bosranden te herkennen als vlakke, half ovale ruimten, met of zonder een zichtbare kalksteenwand als eindpunt.

Boogvormige sporen in de kalksteenwanden wijzen op het gebruik van dissels.

Sleuven in de kalksteenwand bevestigen het vermoeden dat de ontginningen zijn ontstaan voor de winning van bouwsteen.

De uitgehouwen bouwstenen hebben een lengte gehad van niet langer dan 55 cm en een hoogte van niet hoger dan 20 à 30 cm.

Het voorkomen van een grote soortenrijkdom (planten) (ten opzichte van de omringende steil- en bosranden) en boogvormige sporen wijzen op een hoge ouderdom van de ontginningen. Waarschijnlijk kan deze geplaatst worden in de hoge middeleeuwen.

Beschrijving ontginningen

Een zestal bovengrondse ontginningen zijn onderzocht, waarvan voor vijf bij de schrijver geen naam bekend is. Gemakshalve zijn de ontginningen benoemd naar de eeuwenoude namen van de gebieden waarin zij zijn gelegen. De volgende ontginningen zijn op naam gebracht: Groeve In den Teggert, groeve Beremend, groeve Wijgers Del I, groeve Wijgers Del II en groeve De Wilde akelei. Groeve De Wilde akelei is vernoemd naar de wilde planten die nabij groeien. Voor dit gebied is namelijk geen naam bekend, behalve de naam Biebosch waarvan reeds een ontginning haar naam draagt. Voor zover als mogelijk is de RIVON nummering zoals vermeld in van Wijngaarden (1962) doorgevoerd en uitgebreid.

Het onderzoek is voornamelijk uitgevoerd met behulp van zintuigelijke waarnemingen. De mogelijkheid bestaat dat groeve De Wilde Akelei geen kalksteengroeve is.

afb.8 AHN kaart van het onderzoeksgebied met in het midden de Sibbergrubbe.
fig.1. Het onderzoeksgebied is groen omkaderd. De groene nummers geven de locaties van de verloren bovengrondse bouwsteenontginningen weer. Groeve De wilde Akelei is nog een vraagteken.
fig. 2. Groeves (bovengronds) gelegen in de steil – en bosranden, waar het Plateau van Margraten eindigt en het Geuldal begint. Groeve De wilde Akelei is nog een vraagteken.
fig. 3. Groeves (zowel ondergronds als bovengronds) gelegen in de steil – en bosranden, waar het Plateau van Margraten eindigt en het Geuldal begint. Groeve De wilde Akelei is nog een vraagteken.

Groeve Beremend

Groeve Beremend is een bovengrondse bouwsteenontginning in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de geul. De groeve bevindt zich ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie van de groeve is gericht op het noorden met een hellingshoek van ca. 27%. De groeve heeft een oppervlakte van ca. 380 m2, bevindt zich op een hoogte van ca. 135 meter boven NAP en bestaat uit 2 vlakke, half ovale ruimten zonder een zichtbare kalksteenwand als eindpunt. De kalksteen in deze groeve is waarschijnlijk uitgehouwen uit de kalksteen van Nekum. De coördinaten van de groeve zijn 186.163 – 318.085. De afstand tot de groeve Naast het Beckersbergske is ca. 195 meter, ca. 165 meter tot de groeve In den Teggert en ca. 300 meter tot de groeve Wijgers Del I. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 480 meter.

afb.9 AHN kaart van groeve Beremend

Groeve In den Teggert

Groeve In den Teggert is een bovengrondse bouwsteenontginning in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de Geul. De groeve bevindt zicht ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie van de groeve is gericht op het zuiden met een hellingshoek van ca. 35%. De groeve heeft een oppervlakte van ca. 160 m2, bevindt zich op een hoogte van ca. 122 meter boven NAP en bestaat uit 3 vlakke, half ovale ruimten met een kleine kalksteenwand als eindpunt. De toplaag is deels in de eronder liggende groeve Naast Beckersbergske gestort. De kalksteenwand bezit enkele boogvormige sporen. De kalksteen in deze groeve is waarschijnlijk uitgehouwen uit de kalksteen van Emael. De coördinaten van de groeve zijn 186.260 – 318.202. De afstand tot de groeve Naast het Beckersbergske is ca. 35 meter, ca. 135 meter tot de groeve Wijgers Del I en ca. 165 meter tot de groeve Beremend. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 420 meter.

afb.11. AHN kaart van groeves In den Teggert en Naast Beckersbergske

afb. 12. Groeve In den Teggert.

Groeve Naast Beckersbergske

Groeve Naast Beckersbergske is een bovengrondse bouwsteenontginning in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de Geul. De groeve bevindt zicht ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie van de groeve is gericht op het zuiden en zuidoosten met een hellingshoek van ca. 40%. De groeve heeft een oppervlakte van ca. 500 m2 , bevindt zich op een hoogte van ca. 116 meter boven NAP en bestaat uit meerdere vlakke, grotendeels aaneengeschakelde, half ovale ruimten met een kalksteenwand als eindpunt. De kalksteenwand bezit naast boogvormige sporen ook vuursteenconcreties. De kalksteen in deze groeve is waarschijnlijk uitgehouwen uit de kalksteen van Schiepersberg en de kalksteen van Emael. De coördinaten van de groeve zijn 186.614 – 318.347. De afstand tot de groeve In de Teggert is ca. 35 meter, ca. 150 meter tot de groeve Wijgers Del I en ca. 195 meter tot de groeve Beremend. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 385 meter.

Afb. 13. Groeve Naast Beckersbergske.

Groeve Wijgers Del I

Groeve Wijgers Del I is een bovengrondse bouwsteenontginning in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de Geul. De groeve bevindt zicht ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie van de groeve is gericht op het oosten met een hellingshoek van ca. 35%. De groeve heeft een oppervlakte van ca. 320 m2, bevindt zich op een hoogte van ca. 126 meter boven NAP en bestaat uit een half ovale ruimte met een kalksteenwand als eindpunt. De kalksteenwand bezit boogvormige sporen. De kalksteen in deze groeve is waarschijnlijk uitgehouwen uit de kalksteen van Emael. De coördinaten van de groeve zijn 186.307 – 318.362. De afstand tot de groeve In de Teggert is ca. 160 meter, ca. 130 meter tot de groeve Naast het Beckersbergske en ca. 300 meter tot de groeve Beremend. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 490 meter.

afb.14. AHN kaart van groeves Wijgers Del I en II

Afb. 15. Groeve Wijgers Del I.

Groeve Wijgers Del II

Groeve Wijgers Del II is een bovengrondse bouwsteenontginning in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de Geul. De groeve bevindt zicht ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie van de groeve is gericht op het noorden met een hellingshoek van ca. 54%. De groeve heeft een oppervlakte van ca. 190 m2 , bevindt zich op een hoogte van ca. 126 meter boven NAP en bestaat uit een half ovale ruimte met een kalksteenwand als eindpunt. De kalksteenwand bezit boogvormige sporen. De kalksteen in deze groeve is waarschijnlijk uitgehouwen uit de kalksteen van Emael. De coördinaten van de groeve zijn 186.280 – 318.420. De afstand tot de groeve In de Teggert is ca. 200 meter, ca. 170 meter tot de groeve Naast het Beckersbergske, ca. 300 meter tot de groeve Beremend en ca. 40 meter tot de groeve Wijgers Del I. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 540 meter.

Afb. 16. Groeve Wijgers Del II

Groeve De Wilde Akelei

De volgende groeve is wellicht geen ontginning. Voor de zekerheid is deze kleine depressie in het landschap toch meegenomen. Alleen nader bodemonderzoek kan hier meer uitsluitsel over geven. De groeve of depressie De Wilde Akelei ligt in de Nederlandse gemeente Valkenburg aan de Geul. De “groeve” bevindt zicht ten zuiden van de klauwpijpbreuk, waar het Plateau van Margraten eindigt en overgaat via steilranden, grubben en droogdalen naar het Geuldal. De expositie is gericht op het westen met een hellingshoek van ca. 25%. De “groeve” heeft een oppervlakte van ca. 100 m2 , bevindt zich op een hoogte van ca. 136 meter boven NAP en bestaat uit een kleine half ovale ruimte zonder een zichtbare kalksteenwand als eindpunt. De kalksteen in deze “groeve” bestaat waarschijnlijk uit de kalksteen van Nekum. De coördinaten zijn 186.614 – 318.347. De afstand tot de groeve In de Teggert is ca. 370 meter, ca. 330 meter tot de groeve Naast het Beckersbergske, ca. 515 meter tot de groeve Beremend en ca. 300 meter tot de groeve Wijgers Del I. De Vallenberggroeve ligt op een afstand van 370 meter.

afb.17. AHN kaart van groeve De Wilde Akelei

Afb. 18. “Groeve” De Wilde Akelei.

Bronvermelding

Crombaghs, B. & W. Bosman (2006). Beschermingsplan vroedmeesterpad en
geelbuikvuurpad in Limburg. Bureau Natuurbalans-Limes Divergens & Stiching Ravon,
Nijmegen.

Felder, W.M., Bosch, P.W. (2000). Krijt in Zuid-Limburg. Geologie van Nederland, deel 5. –
Nederlands Instituut vaan Toegepaste Geowetenschappen TNO, Delft

Heimans, E., 1911. Uit ons krijtland. Uitg. W. Versluys, Amsterdam.

Philips, J.F.R., Jansen, J.C.G.M. & Th.J.A.H. Claessens (1965). Geschiedenis van de landbouw
in Limburg 1750-1914. Van Gorcum.

Rijks Geologische Dienst (1975). Geologische overzichtskaart van Nederland.

Romein, B.J. (1976), Ons Krijtland Zuid Limburg, II. Geologische geschiedenis van Zuid-Limburg; 4de druk. Wetensch. Meded. van de K.N.N.V., No. 61.

Wijngaarden, van A. (1976), Ons krijtland Zuid Limburg III; Wetensch. Meded. van de K.N.N.V., No. 71.

Behalve de bovenstaande literatuur is getracht om zoveel mogelijk gebruik te maken van eigen waarnemingen. Deze waarnemingen zijn geenzins compleet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s